Samenvatting van kansberekening en combinatoriek


A Combinatoriek

Hierbij gaat het niet om het berekenen van kansen maar om het AANTAL MOGELIJKHEDEN.

1 permutaties

De volgorde is van belang. Het gaat er hierbij om dat een RIJ van k verschillende dingen wordt gevormd waarbij uit n dingen kan worden gekozen.

formule:

Als alle dingen moeten worden gekozen, staat er met de formule: n!

2 combinaties

De volgorde is hier niet van belang. Het gaat er hierbij om dat een GROEPJE van k verschillende dingen wordt gevormd, waarbij uit k dingen kan worden gekozen.

formule:

voorbeeld:

Een groep cursisten bestaat uit 12 leerlingen van 19 jaar, 4 van 20 en 6 van 21 jaar. Op hoeveel manieren kan een leerlingenvertegenwoordiging van 3 stuks worden gevormd als

a de leeftijden er niet toe doen

b uit elke leeftijdsgroep één ll wordt gekozen

c alle drie 19 jaar moeten zijn.

d alle drie 19 moeten zijn en er een taakverdeling binnen die vertegenwoordiging bestaat.

oplossing:

De volgorde waarin de ll worden gekozen is niet van belang (Piet, Jan, Klaas geeft dezelfde leerling-vertegenwoordiging als Klaas, Jan, Piet) Het gaat hier dus om combinaties:

a 3 leerlingen worden gekozen uit 12+4+6=22 ll. Dus =  22 nCr 3 = 1540

b 1 leerlingen van de 12 19-jarigen én 1 van de 4 20-jarigen én 1 van de 6 21-jarigen . Vanwege 'én' moeten we vermenigvuldigen: dus = 288

c 3 leerlingen worden gekozen uit 12 19-jarigen: = 220

d Nu is de volgorde wél van belang, (bij P-J-K doet P iets anders dan bij K-J-P ) We hebben hier dus permutaties, en wel van 3 mensen uit 12 mensen, dus 12! / 9! = 1320 mogelijkheden.

B Kansberekening

   I ALGEMEEN

In het algemeen kun je zeggen dat de kans op een gebeurtenis G is: het aantal gunstige mogelijkheden gedeeld door het totaal aantal mogelijkheden.

opdracht bij het gebruik van bovenstaande formule: Hoe groot is de kans dat uit bovenstaande klas bij een willekeurige 'trekking' van de drie leerlingen alle drie 19 jaar zijn?

oplossing: aantal gunstige (dus 3 19-jarigen) is 220 (zie c). Het  totaal aantal manieren om 3 uit 22 te trekken is 1540 (zie a), de gevraagde kans is dus        220/1540 = 0,1429

opdracht: Hoe groot is de kans dat minstens 2 ll jonger dan 21 zijn?

oplossing: er zijn 2 mogelijkheden. nl precies 2 zijn jonger en de derde is 21, of precies 3 ll zijn jonger. Die twee kansen moeten we optellen omdat er 'of' staat. Dus:

=0,8312

De kansverdeling van een stochast

Als we een experiment, bv het kiezen van een leerling-vertegenwoordiging, doen en we tellen iets bepaalds, bv het aantal 19-jarigen in een vertegenwoordiging, dan kunnen we spreken van een stochast en de kansverdeling van die stochast opstellen:

We maken dan een tabel waar de mogelijke waarden van X in staan, en berekenen de kans dat X die waarde aanneemt: kansverdeling van X:

x

 

 

 

 

 

P(X=x)

 

 

 

 

 

voorbeeld. Uit bovenstaande klas trekken we een ll-vertegenwoordiging van 3 ll en tellen het aantal 19-jarigen in elke trekking. X is het aantal 19-jarigen in elke trekking, en X kan dus waarden 0, 1, 2 of 3 aannemen.

P(X=0)=P(géén 19-jarigen, dus 3 kiezen uit de overige 10) = 120 / 1540 = 0,078

P(X=1)=P(één van 19 en 2 van de rest) = 540 / 1540 = 0,351

P(X=2) = P(twee van 19 en 1 oudere) = 660 / 1540 = 0,429

P(X=3) = P(drie van 19 jaar) = 220 / 1540 = 0,143

de kansverdeling is dus als volgt:

x

0

1

2

3

controle

P(X=x)

0,078

0,351

0,429

0,143

     1

We kunnen hiermee ook berekenen wat de verwachting en de standaardafwijking van X zullen zijn.

E(X) = åx . P(X=x), tel op alle 'x' maal 'de kans op x' of doe het met de rekenmachine: bv met de TI: stat edit, en zet bij L1 de waarden van x, en bij L2 de kansen. Kies dan voor stat, calc, 1-var stat L1,L2.  je kunt nu het gemiddelde en de standaardafwijking aflezen.

In bovenstaand voorbeeld geldt dat E(x) = 1,64 en sigma = 0,82

   II BINOMIALE KANSVERDELING

Dit treedt op als een experiment n maal herhaald wordt, waarbij de kans op 'succes' steeds constant p is. Bv bij een trekking mét teruglegging. Doordat het getrokken ding steeds wordt teruggelegd blijft de kans op succes elk experiment dezelfde. In bovenstaande voorbeelden werd de gekozen leerling niet teruggelegd: een ll kon maar 1 maal worden gekozen. Geen binomiale verdeling dus.

Als X een binomiaalverdeelde stochast is, dan geldt: de verwachting E(X) = n p en de standaardafwijking= Ö(npq).

Met formule: Dit is vooral handig als gevraagd wordt naar de kans op precies k successen:

q is hierbij de kans op een mislukking, dus q = 1 - p

vb. Schutter Jan schiet doorgaans 3 op de 10 keer precies in de roos. Hij doet mee in een wedstrijd waar hij 15 schoten moet lossen. Hoe groot is de kans dat hij precies 10 keer de roos mist? ( en dus 5 keer raak schiet). n = 20, p = 3/10 = 0,3 dus P(X=5) = 3003 . 0,35. 0.710 = 0,21

Met GR:  Dit kan alleen voor kansen van de vorm P(X=x) en P(X£ x ). Voor P(X=x) gebruik je  Dist, binompdf(n,p,x) ( of voor de casio Stat, Dist, Binom,  Bpd ) .

De kans op precies 5 successen is : P(X=5) = binompdf(15,0.3,5) = 0,20613

Voor  P(X£ k) gebruik je binomcdf ( of Bcd bij de Casio)

Ook andere kansen kunnen hiermee worden berekend want (neem n=10 en p = 0,4)

De kans dat er minder dan 6 successen zijn is : P(X<6) = P(X£5) = binoncdf(10 , 0.4 , 5) = 0,8338

De kans op meer dan 7 successen ( dus 8, 9 of 10 successen) is alles (kans 1) min de kans op 0 t/m 7 successen : P(X>7) = 1 - P(X£ 7) = 1 – binomcdf(10 , 0.4 , 7) =  0,01229

Met een normale benadering. Gevallen waarbij n te groot is voor de rekenmachine kunnen worden opgelost door een normale verdeling te gebruiken. In de notatie X £ k moet een continuiteitscorrectie van +1/2 worden gebruikt: P(X£790, n=1700 p=0,48) geeft een normale stochast Y met m= n p = 1700. 0,48 = 816 en s=Ö (npq) = Ö(1700 . 0,48 . 0,52) = 20,6

P(X £790) = P(Y £790,5) = normalcdf(-10^99, 790.5, 816, 20.6) = 0,1079

   III NORMALE KANSVERDELING

Als een groep waarnemingsgetallen een klokvormig frequentiepolygoon oplevert, is er sprake van een normale verdeling. Met waarschijnlijkheidspapier kunnen we er achter komen of een stochast werkelijk normaal verdeeld is. Daartoe tekenen we op dit papier een grafiek van de relatieve cumulatieve frequentie  ( denk er om dat de eindpunten van elke klasse genomen moet worden) Als de grafiek een rechte lijn is, dan is de verdeling normaal. De karakteristieken van deze verdeling zijn:

Het gemiddelde = de verwachting = E(Y) = m te vinden bij 50 %

De standaardafwijking is te vinden door bij 84 % te kijken , men vindt daar m+ s

Voor de normale verdeling hebben we op de TI de volgende opties tot onze beschikking: normalcdf( ondergrens, bovengrens, mu en sigma) en invnorm( linkergebied, mu, sigma) Bij de Casio is dat Ncd en invnorm.

Voor een uitvoerige uitleg hoe de casio en de TI gebruikt moeten worden, kun je kijken bij de havo, lesmateriaal, normale verdeling voor casio/TI.

vb. Een machine windt garen op klosjes. Gemiddeld zit er 120 m garen op een klosje, met een standaardafwijking van 4 m. hoe groot is de kans dat op een willekeurig klosje minder dan 110 m zit ?

P(Y £110) = normalcdf(-10^99,110,120,4) = 0,0062  LET OP bij de Casio staat mu en sigma in omgekeerde volgorde.

Hoe groot is de kans op een klosje van minstens 125 meter?

( > of ³ maakt bij een continue verdeling niet uit)

P(Y> 125) = normalcdf( 125,10^99,120,4) = 0,1056

De kans op een klosje met niet meer dan m meter blijkt 0,17 te zijn. Bereken m.

Invnorm(0.17, 120,4)  = 116,2    m=116,2

Let op: Als het rechtergebied gegeven is, moet men eerst het linkergebied uitrekenen. Invnorm MOET met het linkergebied.

Om het gemiddelde en de standaardafwijking te berekenen wanneer de kans en de grens bekend zijn, kan men, afhankelijk van de rekenmachine hetvolgende doen:

Stel dat gegeven is dat de 10% kortste klosjes horen bij klosjes van 109 m en korter, met een standaardafwijking van 3 meter. Bepaal de gemiddelde lengte van een klosje:

Voor de TI:

Normalcdf(-10^99, 109 , x , 3) bij Y1 invoeren.    0,1 ( 10% kortste) invoeren bij Y2.    window [0,200]x [0,1] ( de x is het gemiddelde, en die ligt in de buurt van de 100, dus 0 tot 200 is zeker voldoende, de y is de kans, en die zit zeker tussen 0 en 1)

Bepaal met intersect de waarde van x……  gemiddelde is 112,8

Bij het berekenen van een onbekende standaardafwijking doe je net zoiets… dan vul je x bij de standaardafwijking in, en kies je een window waarbij voor de x een interval staat die geschikte waarde voor de standaardafwijking bevat. De y-window blijft [0,1]

Voor de Casio gaat het iets anders:

Vul bij Y1 het volgende in: Y1 = P( (grens – mu) / sigma ) dus hier P((109 – x)/3) en  Y2 = 0.1  Bij de casio MOET hier gebruik worden gemaakt van een oppervlakte aan de linkerkant, anders moet eerst de linkerkant worden uitgerekend. De P is bij de casio te vinden door in het grafiekscherm te kiezen voor Option, prop, -> ,  P(

Net als bij de TI bepaald men de window, en gebruikt intersect om de mu ( of anders de sigma) uit te rekenen.

Er zijn nog wat vuistregels:

Links van het gemiddelde ligt 50 % : P (Y<m ) = 0,5

Links van m+s ligt 84 % P (Y< m + s ) = 0,84

Tussen m - s en m +s ligt 67 %          P( m - s< Y < m+ s) = 0,6667

Tussen m- 2 s en m+ 2s ligt 95 % P( m- 2s< Y <m+2 s) = 0,95

Als je twee (of meer) onafhankelijke stochasten bij elkaar optelt (of aftrekt), krijg je een nieuwe stochast.

Dan geldt: E(Xtotaal ) = E(X1)+ E(X2) en stotaal2 = s12 +s 22

E(X verschil) = E(X1) - E(X2) en s verschil 2 = s12 +s 22

Als je n identieke onafhankelijke stochasten optelt krijg je een nieuwe stochast.

Dan geldt: E(Xtotaal ) = n . E(X) en  s totaal = s2 .Ön

Het gemiddelde van n identieke onafhankelijke stochasten is weer een normale stochast.

Dan geldt: E(Xgemiddeld ) = E(X) en   sgemiddeld = s / Ön

 

Voorbeeld:

Wanneer men twee van bovenstaande klosjes aan elkaar knoopt, geldt  m= 240 en de standaardafwijking  4 .Ö2

Wanneer men het gemiddelde neemt van 10 klosjes geldt  m= 120 en de standaardafwijking  4 / Ö10

   IV HYPERGEOMETRISCHE KANSVERDELING

Hiervan is sprake als geselecteerd wordt zonder dit gekozen ding terug te leggen. Het voorbeeld van de leerlingen vertegenwoordigers is hier dus van toepassing. We tellen het aantal successen k bij een een herhaald aantal experimenten waarbij steeds wordt gekozen uit N dingen waarvan aan het begin A goed zijn en N-A verkeerd.

Voor de verwachting en de standaardafwijking van deze verdelingen geldt:

de verwachting E(X) = n p , waarbij p de kans op succes is bij de eerste trek ( p = A/N ).

De standaardafwijking kan alleen berekend worden op de algemene manier, door dus door de kansverdeling op te stellen en dan met de statistiekopties op de rekenmachine sigma berekenen.